Over boterpotten en papketels

Belgische gastarbeiders in Roubaix (19e eeuw)

Is er in de publieke opinie nog enig begrip voor oorlogsvluchtelingen – denken we maar aan de Music for Life campagne van Studio Brussel voor ‘Moeders op de Vlucht’ – dan is dat veel minder het geval voor de zogenaamde economische migranten.

Zij zouden niet op zoek zijn naar een veilig onderkomen, maar slechts uit zijn op geld. Nu eens zijn het profiteurs, dan weer nemen ze het werk af van de autochtone bevolking. Vluchten voor armoede is nochtans een verhaal van alle tijden. Hetzelfde kan gezegd van de vijandige houding van autochtonen ten aanzien van deze ‘economische vluchtelingen’.

 

Beslist zijn er prettiger dingen te bedenken dan een arbeidersbestaan in het late 19e eeuwse België. Het jonge land gaat gebukt onder een enorme bevolkingsexplosie, een verdubbeling in amper driekwart eeuw. Arbeiders wonen als sardienen blik in miserabele hutjes, een ratjetoe van hout, leem en modder. Huisdieren hokken in dezelfde ruimte. Hele gezinnen vallen ten prooi aan honger, tyfus en cholera-epidemieën. In de fabriek treft de arbeider het weinig beter. Zijn werk is onaangenaam, zijn werkplek gevaarlijk, zijn loon laag. Alles bij elkaar mag hij blij zijn dat hij werk heeft.
Stel je dan een stad voor, vlak over de grens, waar een grote vraag is naar arbeid en waar je beter betaald wordt voor hetzelfde werk. De lokroep van Roubaix valt niet in dovemansoren bij de arme arbeiders van Henegouwen en Vlaanderen. Met z’n allen zoeken ze hun heil aan de andere kant van de grens: schoenmakers uit Izegem, meubelmakers uit Moeskroen, schrijnwerkers uit Doornik, katoenarbeiders uit Sint-Niklaas, wevers uit Gent, … . In tegenstelling tot de Belgen keken vele Roubaisiens neer op fabrieksarbeid. En weven werd gezien als een typische migrantenklus.

 

De fabrieksbazen bekeken de nieuwkomers als welgekomen arbeidskrachten. Belgen stonden immers bekend als volgzaam en werklustig. Bovendien waren buitenlanders makkelijker te controleren en te onderdrukken. Zij moesten ook niet verzekerd worden. De Belgen woonden samen in kazernes of beluiken, slecht verlicht en verlucht, met collectieve toiletten in de buurt van het drinkwaterpunt. Maar er werd niet geklaagd. Dit was nog altijd beter dan de situatie in eigen land.
De Roubaisiens bekeken de Belgen met de nodige achterdocht. Bij een verslechtering van de economie waren zij de geschikte zondebok en werden zij als eerste ontslagen. Belgen die nog wekelijks de grens overstaken, om in eigen land goedkoper een rantsoenvoorraad in te slaan, onder meer pap en boter, werden door de lokale handelaars uitgekafferd voor ‘boterpot’ of ‘papketel’. In Lens en Liévin mondde de sporadische vijandigheid tussen Franse en Belgische arbeiders zelfs uit in heuse anti-Belgische betogingen.

 

De Belgische integratie werd alsnog een succesverhaal. Zonder de Belgen zou bijvoorbeeld de ontwikkeling van de lokale textielindustrie ondenkbaar zijn geweest. De militante arbeiderskernen van Roubaix, gesticht door Gentse socialisten, lagen dan weer aan de basis van de Franse socialistische partij. Rond de eeuwwisseling stokte de emigratie naar Noord-Frankrijk. De industrie in België bloeide weer op, en de mensen die toch nog migreerden, gingen naar Parijs of staken de Oceaan over. Door gemengde huwelijken en naturalisaties verdwenen de Belgen langzaam uit de volkstellingen. Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog zijn zij quasi geassimileerd. De enige erfenis van dit migratieverhaal zijn de alomtegenwoordige Vlaamse namen in Noord-Frankrijk.

 

Meer weten?

Belgische emigranten. Anne Morelli e.a. EPO, 1999.

 
Hoe wenst u
vreemd te gaan?

Als groep

Als individu