DE HEATER: Getuigenis van een Gentse vluchteling.

Als het van de spellingscorrector van mijn computer afhing, dan werden alle ‘sans-papiers’ op slag ‘staatspapieren’. Kan het ironischer? Een ‘staatspapier’ is net wat vele vluchtelingen en migranten mankeren om voor het staatsapparaat als volwaardig ‘mens’ te worden aanzien. Maar mensen zonder papieren zijn ook gewoon mensen, met een eigen levensverhaal, zij het vaak meer bewogen dan dat van de doorsnee ‘avec-papier’. Timur is zo’n mens zonder papier. Zijn verhaal leest u hier.

De winter is gekomen in de Stad. Er is niet veel zon meer te vangen in ons steegje. Sinds korte tijd is het ook mijn steegje geworden, want ik ben naar hier verhuisd. Iedereen zou het prachtig vinden hier te wonen, in het huis dat open en leeg stond. Een mooie keuken met een bar, een badkamer met een bad drie trappen omhoog, een ingang met een plaats voor jassen en schoenen. Ik heb hier net alles voor de eerste keer gedaan. Geslapen, gekookt, de meubels plaats gegeven, geordend en gepoetst.

Voordien had ik me lange tijd van vriend naar vriend verplaatst. Alle vrienden hadden hun eigen levens, steeds te gast zijn woog nogal zwaar op onze vriendschap. Na enige tijd voelde ik me niet meer op mijn gemak, dan probeerde ik naar de volgende plaats te zoeken. Ik had geen rust als ik constant onderweg was. Het was moeilijk voor me iets vinden omdat ik geen stabiele inkomsten had, bovendien was ik een illegaal.

Het overleven voor een illegaal is aan twee dingen gekoppeld: het werk en een huis vinden. Officieel mocht ik niets. Daarom was iets vinden nooit gegarandeerd. Beter gezegd: het leek bijna hopeloos in bet begin. Het lukte me stilaan beter aan het werk te geraken, maar steeds veranderde ik snel van werk en woonplaats. Het was altijd hetzelfde, ik kon niets blijven doen, niets plannen. Ik leefde zonder toekomst.

Al mijn verplaatsingen beschrijven in een verhaal kan niet. Ik woonde lange jaren bij een gezin afkomstig uit mijn land, bij een Russische muzikant, een Tunesische zwaargewicht bokser. Ik werkte en leefde bij een Chinese familie, woonde bij de meisjes die Europees vrijwilligster waren, bij een bende gewezen overvallers, bij boeren en krakers. Ik verplaatste me van Gent naar Oostende en terug. Ik ging veel op bezoek. Soms was ik op een laat uur bij iemand, dan mocht ik daar blijven slapen en moest ik niet vertrekken. Soms was een afspraak verkeerd gemaakt en stond ik aan de deuren buiten op straat. Ik ging dan ergens op een stoel of een bankje slapen.

Een keer had ik geluk met een kamer niet ver van het restaurant waar ik werkte. Een meisje vroeg aan de toog of ze een advertentie mocht plaatsen. Ze zocht een bewoner voor haar eigen kamer, want ze wou zelf op een lange reis gaan. Mijn functie in het restaurant heeft waarschijnlijk haar vertrouwen ingeboezemd, dus ze heeft nooit naar mijn papieren gevraagd.

Dus, ik mocht onmiddellijk in haar kamer wonen. In mijn nieuw huis leerde ik snel mijn buren kennen, een geneticus en een arabist-vertaler. We raakten snel bevriend en konden op een rustige avond een babbeltje met elkaar slaan. Vanuit mijn raam had ik een mooi zicht op een grote stedelijke boom. Het komt hier niet veel voor, een mooi zicht met echte boom.

Het duurde toch weer niet te lang, binnen enkele maanden verliet ik mijn woonst. Mijn verhuurster was op iemand verliefd geraakt en ze heeft haar vertrek met het verdere verblijf verwisseld. Ze vroeg haar kamer terug. Mijn laatste week daar zag de boom in straat verminkt, haar schone kruin was genadeloos afgezaagd.

Daarna woonde ik een tijdje bij Peter, de verantwoordelijke van ons restaurant. Dat was een mooi wrak van een huis. Peter sliep op een deur die boven de trap was gelegd. Ik logeerde op een bed, gemaakt van zes oude kleur-TV's. Het leek me een oude schip dat boven de daken van Gent door de mist dreef. Een groot gat in de muur boven het bad. Een terras met de vloer gemaakt van dik zeeboothout. Soms bracht Peter andere zwervers mee binnen. We moesten elkaar blijkbaar redden, gevangen door de levensoceaan. Het duurde daar ook niet lang. Het huis was verkocht en we moesten weg.

Peter heeft nadien nog een tijd in zijn garage op een stoel overnacht. Ik mocht bij Hisham, mijn Marokkaanse collega van ons restaurant, slapen. Die vriend van me heeft zijn woonplaats een week nadien ook verloren. Was het een virus van dakloosheid dat ons allemaal besmette?

Ik kreeg teveel om af te zien. De gewoonste zaken in de wereld bleven buiten mijn bereik. Heel lang kon ik me niet open stellen voor mijn eigen gevoelens en behoeftes. Toch was ik op een dag verliefd en werd bevriend met een vrouw. Ik leerde haar op mijn werk kennen, wachtte maandenlang op haar. Ze verdween en liet me alleen haar voornaam achter. Ik nam haar overigens serieus en ik geloofde dat ze de liefde van mijn leven was. Ik was tot alles bereid om haar te vinden. Ik vroeg om haar rond. Ze had nogal een zeldzame naam. Ik was al bereid naar de televisie te stappen met een zoekertje, toen ze plots terugkwam.

Het begon fijn. We reisden naar elkaar toe, zij naar mijn werk en ik naar haar. Ze had twee kleine kinderen, twee kleine engelen. Ik kreeg heen teder gevoel voor hen. Ze had een huisje in de taalgrensstreek. Ze had een huisje in de taalgrensstreek. Omdat ze geen Frans sprak, leefde ze daar alsof ze zelf een vreemdeling was.

Ik aarzelde te veel over me te vertellen. Ze zou dat niet kunnen begrepen. Men kan zich moeilijk zoiets onoverwinnelijk voorstellen, zoals mijn situatie werkelijk was. In de “normale” wereld heeft iedereen eigen verantwoordelijkheid. Ze vroeg me waarom ik geen werk vond, dat leek haar inderdaad een terechte vraag. Ze kon mij niet geloven en ik kon er niets aan veranderen. We waren na enkele maanden uit elkaar. De liefde tussen ons had geen overlevingskans. Mijn dakloosheid en uitzichtloosheid waren sterker dan deze relatie.

Eerlijk gezegd, ik miste na onze afscheid haar kinderen meer dan haar. We hadden een goede tijd samen. We speelden, kookten, praatten samen, lazen 's avonds de boeken voor. Ze hadden mij van het begin af goedgekeurd en volledig aanvaard, zo voelde het aan. Vol vertrouwen en steun. Ik voelde me snel aan deze kinderen gehecht. Nadien zag ik hen nog lang in mijn dromen. Ik deed mezelf toen een belofte dat ik aan geen relatie meer zou beginnen zolang ik straatloper was. Had ik gelijk als ik mijn woord later nog had verbroken?

Een jaar en half later trok ik mijn eerste eigen kamer in. Na veel zwerven had God mij een woonst gestuurd. In dat klein kamertje met een keuken was ik na lange tijd gelukkig. Samen met vrienden hadden we de ramen felle rode kleur gegeven. Ze hadden daar een paradijselijke plaats van gemaakt. Met oude Japanse en psychedelische stijlen door elkaar gemengd. Er werd daar veel kunst en verbeelding toegepast. Ik kon moeilijk mijn kamer verlaten toen ik plots een praktische keuze had. Men schept een behoefte iets vast te kunnen hebben. Reeds beschouwde ik het als een feit dat er voor mij niets vast, niets zeker was. Beste vrienden hadden beslist voor me, ik verhuisde weer.

In het begin was het een beetje te koud zonder verwarming in mijn nieuwe plaats. De eerste dagen liep ik naar buiten, warmde me op door te bewegen, ging mensen zien, zocht iets om te doen. Het was niet ideaal om thuis te blijven tot ik een vriend had meegebracht. Hij was niet te groot, vierkant en plat, thuis nam ik hem overal mee. Hij maakte mijn leven aardiger, een bron van warmte. Echt warmer werd het thuis daarom niet, maar het was gelijk een hoop op betere tijden. Hij warmde mijn gedachten op. Ik kreeg weer zin om iets te doen. Het voelde gezelliger met hem op mijn schoot, als ik in de zetel zat, of achter mijn rug, als ik met de computer bezig was. Hij kon lekker warm naast mijn been staan als ik op mijn gitaar speelde. Het was niet meer zo hopeloos koud binnen. Met mijn kleine heater had ik zin gekregen om dit verhaal te schrijven.

Morgen weet ik nog niet wat ik ga doen, 's morgens is mijn zin om op te staan vaak zoek. Waar ben je, mijn levenszin? Waar moet het nog verder heen? Zou er nog iets mooi op mijn pad komen? Ik wil me voortaan alleen goede beloftes opleggen. Zou ik nog iets weer niet mogen doen, ik ga mijn moed proberen bewaren.



De heiligen, komt u voor illegalen op, God val de pelgrims bij!



Ponedelnikov Timur, 08 januari 2008 te Gent.

 
Hoe wenst u
vreemd te gaan?

Als groep

Als individu